Wat mij betreft kiest iedereen hoe hard hij (of zij) wil rijden op de autostrade. Op één voorwaarde: breng andere mensen niet in gevaar. Regelmatig kom ik chauffeurs tegen die vinden dat iedereen die niet zo snel rijdt als hen, zo snel mogelijk ‘hun’ rijvak moeten verlaten.
Wel, ze hebben groot gelijk! Ten minste: als er plaats genoeg is op de andere vakken. Het is zeer vervelend om achter een trage chauffeur te rijden terwijl er rechts veel plaats is.
Maar… (tromgeroffel): je hebt van die situaties dat er rechts géén plaats is om in te voegen zonder hard te gaan remmen.
En dan zie je in je spiegels zo’n zwarte Audi Q7 heel snel groter worden. “Een mens met haast”, denk je dan. Tot zijn voorbumper net niet tegen je trekhaak gaat aanschurken.
Er zijn dan twee mogelijkheden:
- De achterligger ziet al snel in dat dit onveilig, irritant en bijzonder associaal is. Hij (of een zelden zij) begrijpt dat je niet kan gaan eisen dat je voorligger de 140 gaat opzoeken en laat terug wat plaats.
- De achterliggen denkt vooral aan zichzelf, blijft zo dicht mogelijk in uw gat zitten en denkt dat bovendien — hoe komt zo’n bumperklever erbij? — dat hij zijn voorligger sneller kan doen rijden door met de grootlichten te beginnen knipperen. Straalt dat licht een soort geheime kracht uit die voorliggers sneller laat rijden?
In geval 1 ga ik opzij van zodra dit veilig kan. Ondanks de übergeile spoiler, is mijn Ford bolide geen racemonster. Ik stel mij dus bescheiden op voor wie sneller kan en wil rijden.
In geval 2 zit de achterligger met een probleem. Het eikeltje in mij komt dan naar boven. Dan licht ik langzaam mijn rechtervoet en hou ik de naald exact op 120 (wat 110 is volgens de betrouwbare gps). Heel naïef hoop ik stiekem dat zo’n chauffeur dan doorheeft dat dat autodrummen geen zin heeft. Integendeel.